Doel van dit deelproject

Met dit project adresseren we het probleem dat spanningen en polarisatie in de maatschappij lijken toe te nemen als het gaat om diversiteit en migratie. De context van de klas als oefenplek of minimaatschappij is bij uitstek geschikt om interetnische contacten te stimuleren en de ontwikkeling van een positieve sociale identiteit te bevorderen. De achterliggende gedachte in dit deelproject is dat deze beide doelen (bevorderen interetnisch contact en ontwikkelen positieve sociale identiteit) bijdragen aan sociale cohesie Sociale cohesie verwijst enerzijds naar het versterken van elk individu, het bevorderen van sociale gelijkheid en gelijke kansen en het afbreken van scheidslijnen en exclusie, en anderzijds naar het versterken van interpersoonlijke sociale relaties, het bevorderen van positieve interacties en verbindingen met elkaar (Berger-Schmitt, 2002). In een cohesieve klas voelen leerlingen zich gelijkwaardig aan elkaar en verbonden met elkaar, voelen alle leerlingen zich veilig, en wordt de inbreng van iedereen gewaardeerd.
in de klas en in de school, en uiteindelijk ook in de maatschappij als geheel.

Onderzoeksvragen

In dit project wordt de algemene vraag naar de sociale cohesie in klassen met veel diversiteit uitgewerkt in twee onderling samenhangende deelprojecten:

Deelproject 1: sociale relaties en de effecten daarvan
Dit deelproject gaat over de relationele dimensie van sociale cohesie: interacties en houdingen tussen leerlingen met diverse culturele achtergronden.

Hoofdvraag: ‘Wat zijn meer en minder productieve intergroepscontacten als het gaat om de bevordering van positieve intergroepsattituden? Hier wijst de term productief op de kenmerken van contacten tussen leerlingen in de klas (kwantiteit en kwaliteit) die gerelateerd zijn aan positieve houdingen van leerlingen jegens elkaar.

Vervolgens willen we weten hoe de context van de klas (verschillende docenten, vakken, de schoolcontext) van invloed is op deze intergroepsrelaties. Vragen staan centraal als:

  • In hoeverre is er sprake van een interactieklimaat in de klas dat uitwisseling tussen alle leerlingen bevordert?
  • Hoe wordt met misverstanden en onduidelijkheden omgegaan?
  • Hoe kunnen docenten positieve contacten en uitwisseling stimuleren en ondersteunen?

Ten slotte worden, naast de houdingen en relaties van de leerlingen in de klas, ook de houdingen van leerlingen ten aanzien van groepen in het algemeen bestudeerd, om zicht te krijgen op de mate waarin de intergroepsrelaties in de klas doorwerken buiten de klascontext.

We baseren ons in dit deelproject op de theorieën van o.a. Allport, Paluck, Slavin, en Stark.

Deelproject 2:  sociale identiteitsontwikkeling
Dit deelproject gaat over de individuele, persoonlijke dimensie van sociale cohesie: zelfbeeld en zelfvertrouwen van leerlingen in een diverse klascontext.

Hoofdvraag: ‘Wat zijn meer en minder productieve interacties als het gaat om de ontwikkeling van etnisch/culturele en andere sociale identiteiten?’ Productief verwijst naar een gezonde identiteitsontwikkeling, een hoog welbevinden en schoolsucces. Interacties kunnen verwijzen naar formele en informele momenten tussen leerlingen onderling en tussen leraren en leerlingen.

Mogelijke subvragen zijn:

  • Welke dimensies van identiteit Wat is identiteit?
    Dit deelproject maakt gebruik van de sociale identiteitstheorie (Tajfel & Turner, 1997) in combinatie met acculturatieonderzoek van Baysu en Phalet (2011). We onderscheiden drie typen etnische identiteit (of strategieën voor identiteitsontwikkeling) specifiek voor leerlingen met een migratieachtergrond vanuit de acculturatietheorie van Berry (1997): een gesepareerde identiteit (waar vooral de eigen etnisch achtergrond centraal staat), een geassimileerde (vooral de dominante etnische achtergrond) en een duale identiteit (een combinatie van beide). Daarnaast is er een residuele (gemarginaliseerde) groep die zich niet met de eigen etnische groep en ook niet met de dominante groep identificeert. Onderzoek laat enerzijds zien dat leerlingen met een duale identiteit meer welbevinden ervaren en ook meer schoolsucces hebben (zie Baysu & Phalet, 2011). Maar dit resultaat wordt niet altijd gevonden, omdat een en ander afhankelijk is van de houding van de dominante (‘autochtone’) groep. Hoe negatiever de dominante groep denkt over een etnische minderheidsgroep, hoe meer ‘identity threat’ individuen uit die groepen ervaren, en hoe moeilijker het is om een positieve (duale) etnische identiteit te ontwikkelen (zie Agirdag et al., 2014; Baysu & Phalet, 2011; Schwartz et al., 2014). Ten tweede wordt gebruik gemaakt van meer recente inzichten uit de “intersectionality theory” die laat zien hoe verschillende dimensies tegelijkertijd in interactie van belang zijn voor identiteit en identiteitsontwikkeling (Grant & Zwier, 2011).
    (zelfbeeld) zijn relevant voor leerlingen in welke context?
  • In welke mate ervaren leerlingen de schoolcontext als versterkend voor hun (biculturele) zelfbeeld en eigenwaarde?
  • Welke rol spelen docenten en lesactiviteiten in dit geheel?

Aanpak

Het project ‘Sociale cohesie in de klas’ bestaat uit drie fasen: literatuuronderzoek, multiple casestudie en resultaten delen met de praktijk.

Fase 1: literatuuronderzoek
In de eerste fase verrichten we een literatuuronderzoek, gecombineerd voor de beide projecten. De resultaten hieruit delen we aan het einde van het de eerste fase met de praktijk, en dit is ook het moment waarop we opnieuw input vragen voor de tweede fase van het project: het empirische onderzoek.

Fase 2: multiple casestudie
In de tweede fase verrichten we multipele casestudies op een klein aantal scholen die interessant zijn vanwege hun cultureel-etnische en sociaaleconomische diversiteit en die de ambitie hebben om werk te maken van het bevorderen van sociale cohesie in de klas.

De scholen worden geworven uit de netwerken van de betrokken praktijkpartners. De methoden in de casestudies zijn mixed method: we hanteren een combinatie van kwantitatieve (surveys) en kwalitatieve (observaties en interviews, narratieven of andersoortige identiteits-uitingen van leerlingen, zie bv. Cummins & Early, 2011) methoden onder verschillende respondentengroepen (leerlingen, docenten, schoolleiders en documenten) om de onderzoeksvragen te beantwoorden.

Fase 3: delen met de praktijk
In de derde fase integreren we de resultaten uit de twee deelprojecten en delen we deze opnieuw met de praktijk.

(On)gelijkheid in de jeugdgezondheid(szorg)

Hoe kunnen we opeenstapeling van ongezond gedrag en gezondheidsproblemen van jongeren voorkomen?
Lees meer

Verbinding tussen onderwijs en jeugdzorg

Kan met laagdrempelige interventies, gericht op een probleem waar alle leerlingen mee te maken (kunnen) krijgen de onderwijs-jeugdzorg verbinding worden versterkt?
Lees meer

De kracht van ontmoeting

Hoe zorgen we voor betekenisvolle ontmoeting en samenwerking tussen wijkteams en moeilijk bereikbare jongeren en hun ouders?
Lees meer

Buitenschools leren

Hoe ziet het buitenschools leren in Nederland eruit en welke invloed heeft het op ontwikkelingskansen van leerlingen met verschillende onderwijs- en thuisachtergronden?
Lees meer